Onderzoek, ethiek en beleid rond sexual harassment in de sport. e.a.
Onderzoek, ethiek en beleid rond sexual harassment in de sport.
vergelijkende studie van Nederland en Vlaanderen.
Auteur: De Bodt Marieke
Promotor: Prof. dr. Jan Tolleneer (
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
)
Faculteit: Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen, K.U.Leuven
Academiejaar: 2007-2008
In de sport kunnen de vertrouwensrelatie tussen atleet en coach en de machtspositie die deze laatste inneemt leiden tot ongewenste gedragingen. In deze studie wordt nagegaan welke aandacht men heeft in de Vlaamse en Nederlandse sportwereld voor sexual harassment. Onder sexual harassment verstaan we elke vorm van seksueel gedrag of seksuele toenadering, in verbale, non-verbale of fysieke zin, opzettelijk of onopzettelijk, die door de persoon die het ondergaat als ongewenst of gedwongen wordt ervaren. We spreken over drie gradaties van sexual harassment. Tot zwak harassment behoren gedragingen zoals dubbelzinnige grapjes, in een grijze zone worden seksuele getinte opmerkingen gesitueerd en onder sterk harassment valt o.a. seksueel misbruik.
Deze problematiek wordt vanuit een brede invalshoek en via verschillende onderzoeksmethodes benaderd. Zo bieden een documentanalyse en een kwalitatief onderzoek ons de nodige kennis voor het maken van een comparatieve studie van Nederland en Vlaanderen.
Uit de literatuurstudie blijkt dat slachtoffers van sexual harassment vaak minderjarig en van het vrouwelijk geslacht zijn. Vanwege hun afhankelijke positie in de maatschappij verdienen deze kinderen en jongeren extra aandacht. In het licht van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) zorgden inspanningen van overheden en niet-gouvernementele organisaties, publicaties, alsook enkele geruchtmakende zaken in binnen- en buitenland voor een grotere aandacht rond deze algemene problematiek.
Uiteraard dient het IVRK ook in de sportcontext toegepast te worden. Wereldwijd is er een draagvlak ontstaan voor gerichte acties, om krachtig op te treden tegen sexual harassment van kinderen in de sportwereld. Toch moeten we vaststellen dat niet alle landen even snel zijn in het nemen van maatregelen. Zo is Nederland pas een aantal jaren geleden gestart met het voeren van een specifiek beleid omtrent sexual harassment in de sport en is er in Vlaanderen zelfs nog geen sprake van een sportbeleid rond deze problematiek. Hieruit concluderen we niet dat Vlaanderen geen inspanningen levert om dergelijke problemen op te vangen. Zo werden op het symposium Sport op jongerenmaat van 7 juni 2006 nuttige aanbevelingen geformuleerd ten aanzien van het beleid. Maar deze inspanningen blijven tot de dag van vandaag louter papierwerk. Op het terrein gebeurt er bijna niets.
Binnen de Vlaamse Gemeenschap is er enige verdeeldheid omtrent de manier van aanpak van sexual harassment in de sport. Misverstanden tussen beleidsactoren en onderzoekers, die uit ons kwalitatief onderzoek naar voren komen, werken deze verdeeldheid mee in de hand. Algemeen is men het erover eens dat de bespreekbaarheid moet verhoogd worden, zodat de Vlaamse bevolking meer bewust wordt van deze problematiek. Vervolgens dienen verschillende instanties nauw samen te werken, zodat communicatieproblemen voorkomen kunnen worden.
Uit de comparatieve studie blijkt dat het heilzaam kan zijn dat dit alles ruim ondersteund wordt door de media. Een gerechtelijk proces rond sexual harassment in de sportwereld zou gebeurlijk kunnen zorgen voor een grote verontwaardiging bij de bevolking, waardoor de taboesfeer doorbroken wordt, zoals in Nederland is gebeurd. Samen met goed uitgewerkte structuren en hoog gekwalificeerd personeel kan men evolueren naar een degelijk beleid. Om dit beleid te helpen uittekenen en te helpen verbeteren is verder sportspecifiek, kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar sexual harassment en naar misbruik in het algemeen nodig.
Kinderrechten en bewegingscultuur.
Juridische context, ethische betekenis en gevalstudies.
Auteur: Annelies Inghelbrecht
Promotor: Prof. dr. Jan Tolleneer (
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
)
Faculteit: Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen, K.U.Leuven
Academiejaar: 2002-2003
Kinderen en jongeren genieten van een aantal rechten die zo fundamenteel zijn dat ze aan geen verdere voorwaarden verbonden zijn. Dit is de essentie van mensenrechten zoals die in hun algemeenheid al in 1948 vastgelegd werden. De specifieke vertaling naar kinderen en jongeren toe werd gedaan in 1989 toen de grondrechten geëxpliciteerd werden door de Verenigde Naties in het Verdrag van de Rechten van het Kind. In deze studie wordt nagegaan of men ook in de wereld van de sport en bewegingscultuur oog heeft voor de fundamenten van het Verdrag. Sport- en spelactiviteiten zijn immers een populaire vrijetijdsbesteding bij minderjarigen. De bredere kinderrechtenliteratuur wordt dus verkend vanuit de invalshoek van de bewegingscultuur. Dit verband is van vrij recente datum. Het is de bedoeling aan de hand van een literatuurstudie een algemeen beeld te scheppen.
In het licht van het Verdrag hebben kinderen recht op provisie, protectie en participatie. Kinderen moeten dus de mogelijkheid krijgen om aan sport te doen. Daarbij moeten ze tegen alle vormen van misbruik en exploitatie beschermd worden. Verder hebben ze het recht zich bij eender welke vereniging aan te sluiten en moet hun eigen mening in deze context gehoord worden. Via ‘internationale’ verdragen en ‘nationale’ wetteksten kan men deze rechten en vrijheden in de sportwereld afdwingen. Op beide niveaus zijn reeds heel wat inspanningen geleverd om hieraan te voldoen. Op internationaal vlak worden vooral aanbevelingen gedaan naar nationale overheden en sportfederaties toe. Op Vlaams niveau bestaan concrete decreten die het recht van jongeren op een verantwoorde sportbeoefening moeten vrijwaren. Toch komen nog verschillende tekorten naar voren. Nog al te vaak worden kinderen in de wereld van de topsport gezien als ‘prestatie-object’. De competitiegedachte en het economisch gewin komen op de eerste plaats. Het belang van het kind en de ethische waarde van bewegingscultuur wordt naar de achtergrond terug gedrongen. Onderzoek toont aan dat sport- en bewegingsactiviteiten heel wat mogelijkheden bieden. Ze kunnen zowel bijdragen tot de lichamelijke gezondheid, als de mentale en sociale ontwikkeling van kinderen. Sportactiviteiten kunnen de integratie van alle jongeren in de maatschappij bevorderen en bieden heel wat pedagogische kansen. Het is aan het beleid, ouders en begeleiders om deze kansen aan te grijpen. Jongeren hebben recht op een sportbeleid waarin hun specifieke noden en behoeften worden gerespecteerd. In Vlaanderen zijn er verschillende organisaties die jongeren deze mogelijkheid aanbieden. In de eerste jaren na de goedkeuring van het Verdrag speelde vooral Sporta een voortrekkersrol op dit gebied via het project ‘Kinderrechten in de wereld van de sport’. Momenteel zijn hoofdzakelijk Bloso en de Koning Boudewijnstichting bezig met het opzetten van kwalitatief onderbouwde jeugdsportprojecten. Vooral ook in ontwikkelingslanden hebben kinderen recht op een kindvriendelijk en ethisch verantwoord jeugdsportbeleid. De Nederlandse overheid heeft reeds een vijftal jaar een programma lopen dat zich bezighoudt met sport en ontwikkelingssamenwerking. Verschillende instanties dragen via de organisatie van sportprojecten bij tot de ontwikkeling van kinderen en jongeren in derde wereldlanden. Ze helpen hen een stapje verder in de realisatie van hun fundamentele rechten.
We kunnen besluitend vaststellen dat men ook in de sportwereld meer en meer aandacht schenkt aan de fundamentele rechten van kinderen en jongeren. Zowel op juridisch niveau als op het vlak van concrete projecten, is een belangrijke basis gelegd. Maar er is nog een lange weg te gaan vooraleer jongeren in de sportwereld ten volle van hun fundamentele rechten zullen kunnen genieten.


