Waardevorming
Artikels over ethiek in de sport
Lichamelijke opvoeding en sport als integratiemiddel voor allochtone jongeren van het Stedelijk Instituut voor Handel en Ambachten (SIHA), e.a.
Lichamelijke opvoeding en sport als integratiemiddel voor allochtone jongeren van het Stedelijk Instituut voor Handel en Ambachten (SIHA)
Auteur: Kim De Raedt
Promotor: Prof. dr. Jan Tolleneer (
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
)
Faculteit: Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen, K.U.Leuven
Academiejaar: 2007-2008
Naar aanleiding van een noodzaak aan veldonderzoek over lichamelijke opvoeding en sport als integratiemiddel voor allochtone jongeren, wordt in deze masterthesis aan de hand van een casestudy in het Stedelijk Instituut voor Handel en Ambachten (SIHA) getracht een beeld te vormen van de factoren die een rol spelen bij lichamelijke opvoeding als middel tot sociaal-culturele en sociaalaffectieve integratie van allochtone jongeren. SIHA is een concentratieschool met 47 nationaliteiten (de Belgische meegerekend) en een waaier aan religieuze overtuigingen en culturen. Hierdoor vormt ze een uniek laboratorium voor dit onderzoek. Voorafgaand aan deze casestudy wordt in een literatuurstudie zowel sport en lichamelijke opvoeding als integratiemiddel voor etnische minderheden belicht, vooral in Vlaanderen en Antwerpen. Hieruit blijkt dat de literatuur zich veelal beperkt tot sport als structurele integrator van minderheidsgroepen, d.i. participatie in georganiseerde en niet-georganiseerde sportactiviteiten. Op dit niveau van participatie is reeds goed werk geleverd in Vlaanderen en ook in Antwerpen, waar o.a. de buurtsport een voorbeeldfunctie heeft voor heel Vlaanderen.
In dit veldonderzoek werden volgende onderzoeksvragen vooropgesteld: (1)Wat is de rol van lichamelijke opvoeding in het integratieproces van allochtone jongeren en (2) zijn er factoren te onderscheiden die dat proces beïnvloeden? (3) Er werd ook gepeild naar de mogelijkheden om de integratie van allochtone jongeren via buiten- en naschoolse sportactiviteiten te beïnvloeden. Als onderzoeksmethoden werden participerende observatie in het 2de tot en met het 7de jaar en diepte-interviews bij zestien leerlingen en drie vakleerkrachten lichamelijke opvoeding gecombineerd.
De resultaten wijzen uit dat de slaagkansen van lichamelijke opvoeding als integratiemiddel afhankelijk zijn van twee grote groepen van factoren: contextuele factoren en persoonsgebonden factoren , waarbij de eerste groep als de belangrijkste kan worden beschouwd, omwille van haar maakbaarheid. Met contextuele factoren wordt bedoeld: de school met zijn pedagogische visie en kansen, de vakgroep LO en de vakleerkracht. Persoonsgebonden factoren houden eigenschappen als leeftijd, geslacht, etnische afkomst, religie en familiale situatie in. Lichamelijke opvoeding kan als integrator optreden voor allochtone jongeren, als de eerste groep factoren op een gerichte manier wordt afgestemd op de tweede groep. Hierbij is de brug die wordt gevormd naar buitenschoolse sport van belang voor de integratie van allochtone jongeren in buitenschoolse en naschoolse sportactiviteiten. Verder kwalitatief onderzoek is echter wenselijk, bij voorkeur aan de hand van vergelijkende studies over de grenzen van scholen, provincies en landen heen, of casestudy’s gericht op andere scholen of schoolgroepen
Sport, cultuur en vierde wereld: een vergelijkende studie van gelijkekansenbeleid in Oost-Vlaamse steden
Auteur: Sanne Van den Bleeken
Promotor: Prof. dr. Jan Tolleneer (
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
)
Faculteit: Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen, K.U.Leuven
Academiejaar: 2007-2008
Niet alle lagen van de bevolking krijgen de kans om deel te nemen aan sportieve en culturele activiteiten. De belangrijkste drempel voor deze deelname is de financiële drempel. Initiatieven die deze drempel trachten te verlagen of weg te werken, bestaan in verschillende Vlaamse steden. In deze studie worden deze initiatieven beschreven en geanalyseerd in comparatief perspectief.
Aan de hand van uitgebreide gesprekken met de organiserende instanties werd informatie ingewonnen omtrent de werking van deze initiatieven. Het armoedebeleid in de steden werd uitgediept aan de hand van een analyse van beleidsdocumenten. Eerst komen de pionierssteden Aalst en Sint-Niklaas aan bod, gevolgd door andere Oost-Vlaamse steden. In de twee genoemde steden kunnen kansarmen reeds jarenlang een kansenpas aanvragen waarmee ze tegen een verlaagd tarief kunnen deelnemen aan sportieve en culturele activiteiten, waarbij het vooral gaat over actieve sportdeelname en passieve cultuurdeelname.
Uit deze analyses kunnen enkele kritieke succesfactoren afgeleid worden die voor andere steden en gemeenten als leidraad kunnen dienen voor een geslaagd gelijkekansenbeleid met betrekking tot sport en cultuur voor kansarmen. Zo is het van cruciaal belang dat er een nauwe samenwerking is tussen de organiserende instantie enerzijds en het OCMW, de sportdienst en de cultuurdienst anderzijds. Verder is het van belang dat een werkkracht zich voltijds kan bezighouden met de uitbouw van de kansenpas en het onderhouden van contacten met de doelgroep. Ten slotte moet er een beleid rond armoede gevoerd worden waarbij het verlagen van de financiële drempel niet het enige doel is. Er moeten eveneens bijkomende activiteiten georganiseerd worden om het effectieve gebruik van de kansenpas zo hoog mogelijk te maken.
Verder is uit het onderzoek gebleken dat de cijfers van cultuurparticipatie bij kansenpashouders hoger liggen dan die van sportparticipatie. Het financiële is opnieuw doorslaggevend. Bij actieve sportdeelname zijn er meer immers bijkomende kosten. Deze kosten kunnen zo laag mogelijk gehouden worden door initiatieven waarbij kansarmen met steun van het OCMW bijvoorbeeld sportkledij en -materiaal kunnen aankopen. De kansenpas van Aalst en Sint-Niklaas zijn reeds goede praktijkvoorbeelden. Toch is verder onderzoek omtrent deze materie nuttig om de effectiviteit en efficiëntie van drempelverlagende initiatieven na te gaan en te optimaliseren.


