zondag 20 mei 2012
  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Waardevorming

Artikels over ethiek in de sport

Sport, doping en ethiek: discoursanalyse van geschriften van studenten en journalisten (1998-2006), e.a.

Geplaatst door Super User
Super User
Super User has not set their biography yet
Gebruiker is momenteel offline
op donderdag, 22 december 2011 in Doping en ethiek

Sport, doping en ethiek: discoursanalyse van geschriften van studenten en journalisten (1998-2006).

 

Auteur: Hans Vangrunderbeek
Promotor: Prof. Dr. Jan Tolleneer (
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. )
Faculteit: Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen, K.U.Leuven
Academiejaar: 2006-2007

In de sportfilosofische literatuur wordt uitgebreid gereflecteerd rond ethische vraagstellingen in verband met de dopingproblematiek. Tot op heden verschijnen artikels en boeken van vakspecialisten die zich buigen over de centrale vraag of dopinggebruik in de sportwereld al dan niet moet toegelaten worden. Uit literatuuronderzoek blijkt dat er onder hen van eensgezindheid geen sprake is. Daar waar sommige sportfilosofen en ethici pleiten voor de instandhouding van het huidige nultolerantieprincipe, ijveren steeds meer anderen voor een gematigde of zelfs doorgedreven vorm van tolerantie. Het zijn echter niet alleen sportfilosofen en ethici die een belangrijke stem hebben in dit debat. De verschillende hoofdrolspelers worden in deze licentiaatsverhandeling in kaart gebracht en beknopt besproken. Onder hen bevinden zich de media, met de sportjournalisten op kop, alsook de studenten lichamelijke opvoeding en bewegingswetenschappen. Deze laatsten krijgen bijzondere aandacht in dit onderzoek, gezien hun relevantie naar de toekomst toe. Zij zullen immers in de diverse domeinen van de sportwereld hun beroep uitoefenen en daar verantwoordelijkheid dragen.

Om de interesse, de standpunten en de daartoe aangehaalde argumenten van deze studenten weer te geven, werd een studie doorgevoerd van 555 actualiteitsmappen. Deze werden tijdens de academiejaren 1998-1999 tot en met 2005-2006 aangelegd door eerstejaarsstudenten lichamelijke opvoeding en bewegingswetenschappen aan het HILO van de Universiteit Gent. Aan de hand van een toegepast-ethische benadering wordt doorheen deze jaargangen een overzicht geschetst van de evolutie in aandacht, standpunten en argumentaties. Op basis van literatuuronderzoek werden deze standpunten ingedeeld in de categorieën nultolerant, tolerant en afzijdig, terwijl de argumenten werden ondergebracht in categorieën die we hebben genoemd: het ik, de ander, het spel en het schouwspel.

We kunnen besluiten dat er onder de studenten wel degelijk sprake is van een evolutie in de richting van een minder uitgesproken nultolerantie-standpunt. Vanaf jaargang 2003-2004 daalt het procentuele aantal studenten dat zich radicaal tegen doping keert, terwijl er een toename is in de categorieën tolerant en afzijdig. Naar argumentatie toe vormen de categorieën het ik en het spel tijdens de eerste zes jaargangen samen de absolute meerderheid: het gezondheidsargument enerzijds en het fair play-argument anderzijds overheersen de discussie onder de studenten. De laatste jaargangen blijven de argumenten in de categorie het spel, met het fair play-begrip op kop, aan de basis liggen van de relatieve instandhouding van de nultolerantie. Uit de resultaten van het onderzoek en de afgenomen diepte-interviews komt ook naar voor dat de studenten vaak sterk beïnvloed worden door de media. Deze bevindingen worden uitvoerig besproken en ook worden mogelijke verklaringen voor deze evoluties aangegeven. Om de vaak intuïtieve argumentaties van de studenten te kaderen en onze eigen analysecategorieën te toetsen wordt het laatste woord gegeven aan de sportfilosofen en ethici. In hun betoog beargumenteren ze waarom doping zo geviseerd wordt in de sportwereld en waarom het al dan niet verboden moet worden. Tot slot wordt ook het actuele thema ‘genetische doping’ beknopt besproken en wordt de noodzaak aangegeven om hierrond diepgaande en interdisciplinaire navorsing op te starten.

 

 

Sport, gendoping en ethiek: een verkennende studie

 

Auteur: Silke Mercken
Promotor: Prof. Dr. Jan Tolleneer (
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. )
Faculteit: Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen, K.U.Leuven
Academiejaar: 2008-2009

Deze masterproef behandelt de ethische problematiek rond de opkomst van een nieuwe vorm van prestatiebevordering in de sport, namelijk het genetisch modificeren van atleten.
Gendoping kan omschreven worden als het gebruik van genen, genetische bouwstenen en/of cellen waarbij er geen therapeutisch doel voor ogen is, maar waarbij het de intentie is om atleten zodanig genetisch te manipuleren dat het niveau van hun sportprestatie toeneemt. De vijf belangrijkste genen die hiervoor gebruikt kunnen worden, zijn momenteel erytropoëtine (EPO)-DNA, de insuline-achtige groeifactor-1 (IGF-1), de vasculaire endotheel-groeifactor (VEGF), myostatine en endorfinen.
De grens tussen gentherapie en gendoping is niet altijd eenvoudig te trekken. Toch is dit onderscheid van cruciaal belang aangezien prestatiebevorderende middelen en methoden in de sport niet toegelaten zijn. In 2003 nam het World-Anti-Doping-Agency (WADA) genetische doping dan ook op in haar Anti-Doping Code. Dit verbod op genetisch gemanipuleerde atleten zorgt er echter wel voor dat atleten, die toch voor deze vorm van doping kiezen, in illegale en dus ongecontroleerde laboratoria terecht komen waardoor de kans op potentiële risico‟s aanzienlijk toeneemt.
Vanuit ethisch oogpunt hanteert men twee hoofdargumenten om gendoping te verbieden, namelijk de gezondheidsschade aan de atleet en de oneerlijkheid ten opzichte van de tegenstanders. Maar deze en andere argumenten worden onder druk gezet door wetenschappers, sportethici, atleten, etc. die wel voordelen zien in de toelating van gendoping. Zo blijkt dat gentechnologie atleten ook kan beschermen door personen met ongunstige genetische kenmerken te behoeden voor het beoefenen van bepaalde sporten. Anderzijds kan de toepassing van gentechnologie in de sport ook tot problemen leiden, zoals het genetisch selecteren van sporttalent zowel op jonge leeftijd als tijdens de embryonale ontwikkeling. Door de onkritische houding die atleten in hun streven naar de top kunnen innemen ten opzichte van dopingproducten, vragen ethici als Kayser en Miah zich af of het misschien niet beter is om gendoping en doping in het algemeen toe te laten onder medisch toezicht. Op deze manier zouden volgens hen veel gezondheidsrisico‟s vermeden kunnen worden.
Tot slot behandelt deze masterproef ook de ethische standpunten die worden ingenomen over de waarden die met sport geassocieerd worden. Zo veronderstelt men dat er in sport naar een zo eerlijk mogelijke competitie gestreefd wordt. Sommige ethici beweren dat deze eerlijkheid niet gegarandeerd wordt wanneer enkele atleten zuiver zijn en anderen niet. Anderen menen dan weer dat de toelating van gendoping er juist voor zal zorgen dat de competitie eerlijker dan ooit te voren zal verlopen. Hiernaast worden ook de morele zuiverheid en het rolmodel van de atleet in vraag gesteld om uiteindelijk af te sluiten met de discussie of gendoping een meerwaarde of een bedreiging zal zijn voor de entertainmentwaarde van de sport.
Deze masterproef kon slechts een brede terreinverkenning beogen. Hopelijk is ze een stimulans om de ethische problematiek van gendoping op een meer diepgaande wijze en in een interdisciplinaire context te onderzoeken.

 

 

Sport, doping en ethiek. De zaak Filip Meirhaeghe en de zaak Rutger Beke: inhoudsanalyse van egodocumenten en persverslagen

 

Auteur: Jeroen Pans
Promotor: Prof. Dr. Jan Tolleneer (
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. )
Faculteit: Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen, K.U.Leuven
Academiejaar: 2008-2009

Deze masterproef stelt zich tot doel het gedrag, de standpunten en de ethische argumenten van medespelers van de sport- en dopingscène in kaart te brengen. Met name wordt onderzocht hoe topsporters ten opzichte van doping staan. Dit gebeurt door middel van de analyse van twee egodocumenten, namelijk het boek Positief van Filip Meirhaeghe en het boek Ik Niet van Rutger Beke. Beide boeken behandelen totaal verschillende dopingzaken die zich als twee uitersten tegenover elkaar stellen. Filip Meirhaeghe is namelijk betrapt op het gebruik van EPO en heeft meteen bekend, terwijl Rutger Beke eveneens betrapt is, maar steeds ontkend heeft en uiteindelijk onschuldig bevonden werd. Naast deze twee topsporters komen ook journalisten aan bod, eveneens actoren op de sport- en dopingscène. Aan de hand van persverslagen over de zaak Meirhaeghe en de zaak Beke worden de standpunten en de argumenten van journalisten behandeld. Via een uitgebreide literatuurstudie komen nog andere medespelers van de sport- en dopingscène aan bod. Vooral het WADA komt hier in het vizier, en tevens gaat veel aandacht naar filosofen en ethici.

Uit de inhoudsanalyse van de egodocumenten blijkt dat Rutger Beke een nultolerante houding aanneemt ten opzichte van het al dan niet toelaten van doping. Hij is zeer radicaal ten opzichte van ‘bedriegers’ en vindt alles wat met anti-doping te maken heeft ‘cool’. Filip Meirhaeghe heeft een heel andere attitude ten opzichte van doping en dopingcontroles. Hij stelt dopingcontroleurs steevast op de proef door hen te laten wachten. Filip verklaart dit zelf als “het opsteken van een middelvinger naar het dopingbeleid”. Een uitgesproken tolerant standpunt neemt Filip niet in, maar dat hij niet zo radicaal nultolerant is als Rutger, daar bestaat geen twijfel over. Niet alle journalisten zijn even expliciet in het uiten van hun standpunt in het dopingdebat. Toch blijkt dat het principe van nultolerantie aanwezig is. Er is echter geen enkel artikel terug te vinden waar journalisten openlijk voor een tolerante houding kiezen. De kritische vraag wordt wel gesteld hoe lang het nultolerantie-principe nog zal stand houden.

Wanneer egodocumenten als bron gebruikt worden, moet men zich steeds bewust zijn van het fictieve karakter van deze documenten, aangezien ze geschreven zijn door middel van een subjectieve en persoonlijke stijl. Daarom kan verder onderzoek er op gericht zijn om via diepte-interviews op zoek te gaan naar de scheiding tussen fictie en non-fictie. In deze masterproef komen bovendien slechts twee egodocumenten aan bod, terwijl nog andere egodocumenten liggen te wachten op analyse. Dezelfde bevindingen kunnen in verband met de analyse van persverslagen gemaakt worden. Ook hier beperkt deze masterproef zich tot de zaak Meirhaeghe en de zaak Beke. Bovendien bevatten journalistieke artikels eveneens subjectieve informatie. Het kan in dit opzicht bijgevolg ook interessant zijn om journalisten aan een diepte-interview te onderwerpen.

 

0 stemmen
Tags: Niet getagged